Op de middelbare school moest ik Spoorloos analyseren op perspectief, symboliek en meer van dat soort literaire technieken. Bij het wrange einde, bedoeld als ultieme uitsmijter, was de magie er door het schoolse onderzoek toch een beetje vanaf. Liever had ik de verfilming van Tim Krabbés Het Gouden Ei in één keer gezien, zonder het eindeloos herhalen van specifieke fragmenten.
Die kans heb ik gekregen met de her-vertoning in het Eye Filmmuseum. Mooi. Want er komt ook nog bij dat Spoorloos sinds zijn uitkomst in 1988 is uitgeroepen tot ‘s-Nederlands engste film ooit. Ik wil mij dan graag wagen aan een tegenstem. Ik bedoel, ons Nederlandse filmgeschiedenis biedt toch wel meer spanning dan deze thriller?
Zeker. Maar toch moet ik toegeven dat Spoorloos mij niet onberoerd laat. Vanaf het begin, als Rex en Saskia vastzitten in een tunnel, zorgt George Sluizer voor een sluipende, claustrofobische dreiging. Ergens zit een monster verstopt. Maar waar? Het psychologische (en licht sadomasochistische) duel tussen antiheld Rex en sociopaat Raymond geeft de Nederthriller zelfs Hitcockiaanse allures.
Spoorloos is een nachtmerrie over paranoia, alles verslindende obsessies en tragisch verloren gegane liefdes. Rex is de enige die de gruwelen kan stoppen. Hij moet alleen accepteren dat bepaalde vragen geen antwoord hebben. Of dat sommige antwoorden beter verzwegen blijven. Toch gaat hij door. Omdat hij niet anders kan. Of wil.
En verdorie, dat einde. Dat naargeestige, hopeloze slot. De grimmige afmaker. In de bioscoop, zonder het geouwehoer van de goedbedoelende docent die de klas iets wil leren over literatuurtechnieken, komt de duivelse ontknoping zoveel beter tot zijn recht.
Mijn Letterboxd-oordeel: 4.0