RoboCop. Half mens, half machine. Ik ben eerder geneigd om te zeggen dat deze agent van de toekomst tachtig procent machine is en twintig procent mens. Maar hé, ik weet zeker dat de marketingafdeling grondig over de cijfers na heeft gedacht. De robot in kwestie speelt de hoofdrol in RoboCop, de diep ironische en gruizige actiefilm waarmee een nog relatief onbekende Paul Verhoeven doorbrak in Hollywood.
Als agent Alex Murphy ongenadig aan flarden is geschoten door een drugsbende, wordt zijn stoffelijk overschot gebruikt als proefkonijn voor het RoboCop-project. Om te illustreren hoe dit verloopt: beide armen moeten geamputeerd worden. Iemand sputtert tegen dat één arm nog functioneert. De baas bromt dat complete amuputatie nu eenmaal de bedoeling is. Bovendien is deze kerel toch dood, dus ze kunnen alles doen wat ze willen. Niet zeuren en afzetten.
Die cynische toon, waarbij “het grote goed”, reputatie en geld prioriteren over de niet in te schatten waarde van een mensenleven, is wat RoboCop boven het actiegenre uittilt. Net als het beeld van het machtshongerige bedrijf dat over alles en iedereen invloed heeft. RoboCop is niet alleen over en weer knallen, er zit ook een flinke dosis maatschappijkritiek in.
Natuurlijk is er ook nog het voor Verhoeven typerende grove geweld waarmee RoboCop wist te scoren. Net als de keuze om het perspectief van de robot te kiezen als er aan hem wordt geknutseld. Peter Weller weet met zijn spel, dat mooi balanceert tussen stijf en soepel, de robot nog een vleugje menselijkheid te geven, dat diep zit weggestopt tussen de hard- en software.
Dit alles maakt RoboCop nog huiveringwekkend actueel. De klassieker komt uit 1987, er is in de tussentijd niet zo heel erg veel veranderd in onze wereld. Sterker nog, een RoboCop zou nu met open armen worden ontvangen. Dat is best een deprimerende gedachte.
Een gedachte over “RoboCop”