Sirât is oorlog. Raven in de woestijn. Trippen op de muziek van Kangding Ray. Het gaat over een vader op zoek naar zijn dochter. Hij reist mee met een groepje dansers, steeds dieper de woestijn in, op weg naar het volgende feest, hopende zijn dochter daar terug te vinden.
Sirât is ook dat ene onverwachte gruwelmoment waarover zoveel wordt gesproken. Publiek schijnt vloekend weg te zijn gelopen. Ik kan spectaculairdere verrassingen noemen (The Sixth Sense, The Usual Suspects) en je kan je afvragen waarom Laxe de wending heeft geschreven maar de scène is evengoed onthutsend. Een bizarre ontgoocheling halverwege de film. Het publiek in “mijn” bioscoopzaal reageerde totaal ontdaan.
Vanaf dan is alles mogelijk. De vermiste dochter glijdt naar de achtergrond, de oorlog dringt bruut naar voren. Dit is geen kabbelende reisfilm meer. Eerder een merkwaardig duistere ervaring diep in de woestijn waar zich de Apocalyps voltrekt. En waar tegelijkertijd iets van hoop gloort.
Het heeft veel weg van een spirituele queeste. Ik heb alleen geen idee wat Laxe ermee wil zeggen. Alles los moeten laten? Jezelf overgeven aan het grillige lot? Zoiets. Ik denk het. Om de vader te citeren: “We’re lost.” Sirât is er eentje om op te kauwen. Geweldig.