“The Sweet East. Wat moet ik nou met je?”, vroeg ik mij af toen ik de bioscoopzaal verliet na een, op zijn zachtst gezegd, desoriënterende ervaring. De trailer beloofde nochtans veel goeds, met rollen voor Earl Cave (inderdaad de zoon van), Simox Rex (een favoriet van mij sinds Red Rocket) en Jacob Elordi (een geweldige Elvis Presley in Priscilla). Het begin is ook sterk. Lilian (Talia Ryder) zingt een mooi liedje voor de spiegel en er wordt geknipoogd naar “Pizza Gate”.
En dan tuimelt The Sweet East diep het konijnenhol in. Zo diep dat ik geen houvast kan vinden.
Ik probeer wel mee te gaan in de chaos, maar gaandeweg vraag ik mij toch af wat nou het doel is van Lilians odyssee. Gaat het puur om de chaos? Is Sean Price Williams op zoek naar totale ontregeling? Moet het cynische The Sweet East een uiting van dadaïsme voorstellen?
Zou allemaal kunnen. En ik kan zoiets ook echt wel waarderen, het omverwerpen van ratio. Tegelijkertijd voelt het erg lukraak. Ter plekke geïmproviseerd. Met als enig doel de ideeën zo idioot mogelijk te maken. Het had ook gewoon door kunnen gaan, een onophoudelijke stroom aan gekte. Lilian vindt het prima. Die laat zich sowieso apathisch meesleuren door de situaties. Kan haar het allemaal wat schelen.
Misschien is het ook die onverschillige houding waar ik moeite mee heb. “Oh, er gebeurt weer eens wat. Nou, eens zien hoe dit af gaat lopen.” Lilan blijft afstandelijk. Een verveelde tiener zonder duidelijke eigen mening of wereldvisie. Geen attitude waar ik dol op ben.
The Sweet East is lastig. Enerzijds vraag ik mij af of hij wel begrepen wil worden, anderzijds kan ik niet ontkennen dat de merkwaardige beelden nog lang na blijven spoken. Net als, ironisch genoeg, de passiviteit van Lilian. Wat ik ermee aan moet? Ik weet het nog steeds niet.
Na hier eens even over na te hebben gedacht kom ik toch uit op drie sterren.