Smokey and the Bandit, de achtervolgingsfilm waar Burt Reynolds beroemd mee is geworden, scoort over het algemeen vrij goed. Het zou zelfs een bewonderaar hebben in Alfred Hitchcock. Er zitten zeker ook goede dingen in. De achtervolgingen zien er aardig uit, Jackie Gleason is lekker op dreef als vinnige sheriff en Reynolds is perfect als de nonchalante macho. Een prima testosteronfilm, toch?
En als Hitchcock zo idolaat was van Smokey and the Bandit, dan moet deze komedie (of hoe je het ook wil noemen) toch iets van kwaliteit te bieden hebben? Een kwajongensstreek waar zevenenveertig jaar later nog steeds om gelachen kan worden.
Waarom was ik de film dan alweer vergeten zodra de eindtitels in beeld kwamen?
Toen ik mijn planning voor komende dagen doornam dacht ik nog, verrek, dat klopt, die heb ik ook nog gezien! Toch bijzonder. Heb ik iets gemist? Is dit niet mijn genre? Ben ik ergens mijn gevoel voor humor verloren? Waarom heb ik het idee vooral tijd te hebben verspild?
Het “grote avontuur” van Reynolds riep associaties op met The Cannonball Run. Een lange stoet van auto’s, bier en vrouwelijk schoon, bedoeld voor beschonken asfaltsnuivers en hitsige pubers die kwijlend het glimmende chroom en de blote huid aanschouwen.
Smokey and the Bandit heeft vergeleken met die niksige race ietsjes meer smaak. Helemaal mooi ook dat Smokey and the Bandit zoveel fans heeft. Maar zo spannend vond ik het echt niet. Eerder saai. Gezapig. Mannen onder elkaar. Even geinen voor het echte werk weer begint. Een platte, flauwe, nietszeggende achtervolging met Reynolds als de grote held.
Je kan mij ook volgen via Letterboxd.