“Ik heb mij toch een zin bedacht: ‘Met een swag waar Kanye West jaloers op is paradeert Leo het politiebureau binnen.’”
“Oké.”
“Een mooie zin!”
“Het is… creatief. Bijzonder.”
“Jij schrijft die stukkies toch?”
“Zekers.”
“Nou, dan kan je over deze zin schrijven. En dan schrijf je er nog een zin bij, en nog één, en nog één…”
“En waar moet ik er dan over schrijven?”
“Jij bent toch de schrijver! Jij kan toch wel wat verzinnen?”
“Over ‘Leo’ die ‘paraderend het politiebureau binnenloopt’, ‘met een swag waar Kane West jaloers op is.’”
“Ja, precies! Jij kan daar wel een mooie stukkie van tikken.”
“Ik zal mijn best doen.”
“Wie weet schrijf je een bestseller, breek je nog door en zo.”
“Wie weet…”
“En dat allemaal door die ene door mij bedachte zin, over de paraderende Leo, het politiebureau en de swag van Kanye West. Je moet wel nog een goeie titel bedenken, iets dat lekker bekt, maar daar kom jij wel uit.”
“Ja. Komt helemaal goed.”
“Hier zal iets moois uit komen, daar ben ik echt honderdduizend procent van overtuigd. Hé, hou mij wel op de hoogte hè! Ik ben mij toch benieuwd wat je ervan gaat maken, van mijn zin.”