In het op één na laatste hoofdstuk van The Lord of the Rings: The Return of the King beschrijft J.R.R. Tolkien hoe de heldhaftige Hobbits terugkeren in hun vertrouwde Shire. Ze hebben elven, dwergen, pratende bomen en eerzuchtige koningen ontmoet, gevochten tegen orks, trollen en boosaardige magiërs en het opgenomen tegen een alomtegenwoordige kwade macht. Terug op de plek die ze hun huis noemen laat Tolkien ze op die avonturen terugkijken en hebben Merry, Peppin, Frodo en Sam voor het eerst besef van hun opgedane ervaringen.
Hetzelfde geldt voor mij. In het negende hoofdstuk zie ik hoe de kleine helden van The Lord of the Rings oorlogsveteranen zijn geworden, zich hebben ontwikkeld van stoutmoedige Hobbits tot dappere soldaten die de gruwelen van het slagveld ervoeren en dichter bij de dood kwamen dan ze hadden gewild. Speelde dit viertal in deel één nog met vuurwerk, nu staan er vier onverschrokken krijgers die autoriteit afdwingen onder hun eigen volk.
Tolkiens driedelige epos rust weliswaar op een relatief simpel verhaal (de vernietiging van een magische ring), in dat op één na laatste hoofdstuk komt naar voren hoe verbluffend diep de uitwerking gaat. Je hebt natuurlijk ook nog de gedetailleerde beschrijvingen van de landschappen en de rijke geschiedenis van Middle-Earth, met het reminisceren van de Hobbits openbaart Tolkiens meesterwerk zich als een vorstelijke ontwikkelingsroman. Dit is een psychologische queeste, met personages die noodgedwongen opgroeien. Of onder ogen moeten zien dat sommige wonden niet meer zullen genezen.
The Lord of the Rings staat te boek als het begin van de moderne fantasy, Tolkien schreef veel meer dan een spannend sprookje. Dat is wat dat ene hoofdstuk duidelijk maakt.