Op de middelbare school, tijdens mijn studie Literatuurwetenschap en op de Schrijversvakschool heb ik geleerd: literatuur gáát ergens over. Elke letter is zorgvuldig gekozen, niets is toevallig, de schrijver heeft altijd iets te zeggen. Zeker weten.
Dat gevoel, dat alles in netjes elkaar grijpt, had ik dus niet bij Bubblegum Geisha, een geweldige graphic novel van Edwin Hagendoorn. Het verhaal laat zich leiden door uit nachtmerries en dagdromen geplukte beelden die nou niet de indruk wekken van nauwkeurig gerangschikte literatuur. Dit is eerder de koortsdroom van een zware neuroot. Niet geschikt voor gevoelige zenuwen. Of magen.
Oké, met enige goede wil kan je er een liefdesverklaring aan cult in lezen, een ode aan de “stoute boekjes” onder de toonbank van de stripwinkel. Maar ik betwijfel of Hagendoorn dat ook zo bedoelde. Had hij überhaupt de intentie om meer te vertellen dan het geschrevene?
Alhoewel ik mij nog steeds aansluit bij het adagium dat “echte” literatuur de diepte in mag gaan en te veel idioterie kan leiden tot willekeur vind ik ook dat er ruimte moet zijn voor het onvoorspelbare. Een beetje gekte. Waanzin. Laat de verstoring van Bubblegum Geisha gerust de lezer uitdagen. Er is niets mis met zo’n punk attitude.
En hé, misschien is ook dat juist literair?